15 jaar na de eerste registratie van een auto, vrijwel ongeacht het type, wordt bepaald of de gebruikte auto een verbruiksartikel wordt of een klassieker.
Ook al draagt een Porsche vrijwel altijd de aanleg voor een klassieker in zich, is het nooit zeker of hij de fase van ondeskundige behandeling en gebrekkige reparaties zo doorstaat dat bijvoorbeeld een toestandsnota 2 ooit weer bereikt zou kunnen worden. Bij de jongere voertuigen mislukt een succesvolle en economisch verantwoorde heropleving vaak door de complexiteit van de voertuigen, bij de 356 en bij de vroege 911 staat men steeds weer, zonder het op het eerste gezicht te kunnen herkennen, voor een enorme 3D onderdelenverzameling – alles wat goedkoop voor reparaties of ook vermeende optimalisaties te verkrijgen was, werd in de afgelopen jaren ingebouwd.
Steeds weer heerst de mening dat een voertuig met Matching-Numbers, waarbij de carrosserie, de motor en de versnellingsbak nog precies de nummers dragen die het voertuig in nieuwstaat had, voor dergelijke verrassingen beschermt. Dat is helaas niet het geval. Juist bij de 356 vindt men de meest merkwaardige combinaties van type en bouwjaar – zo kochten de minste bestuurders in 1978 bijvoorbeeld nieuwe drijfstangen bij Porsche, wanneer deze na een hard gevecht op de landweg door een overtoeren beschadigd waren geraakt. Men zocht gebruikte vervanging en bracht het goede stuk met veel improvisatietalent weer aan de praat. Wanneer men tegenwoordig een 356-motor demonteert, moet men dwingend oude noodtoestanden herkennen en verhelpen.



